Oppervlaktecondensatie treedt op zodra een binnenoppervlak kouder is dan het dauwpunt van de binnenlucht. Bij een binnenklimaat van 20 °C en 50 % RV ligt het dauwpunt rond de 9 °C. Typische plekken: vensterruiten met slechte isolatiewaarde, hoeken van buitenmuren en aansluitingen bij koudebruggen (kozijnen, vloer-muuraansluiting, dakrand).

Schimmelrisico

Langdurig vochtige oppervlakken vormen een risico op schimmelgroei. Als vuistregel geldt dat bij een relatieve luchtvochtigheid aan het oppervlak hoger dan 80 % gedurende langere tijd schimmel kan ontstaan. Dit correspondeert met een oppervlaktetemperatuur iets boven het dauwpunt.

Beoordelingscriterium: temperatuurfactor f

De temperatuurfactor f vergelijkt de binnenoppervlaktetemperatuur met het temperatuurverschil binnen–buiten:

f = (T_si - T_e) ÷ (T_i - T_e)

waarbij T_si de oppervlaktetemperatuur, T_i de binnentemperatuur en T_e de buitentemperatuur is. Conform NEN 2778 geldt voor woningen een minimumeis van f ≥ 0,65 om oppervlaktecondensatie te voorkomen. Een lagere f-waarde duidt op een te koude plek — vrijwel altijd een koudebrug. De nauwkeurige f-waarde van een aansluiting wordt berekend conform NEN-EN-ISO 13788.

Oorzaken en aanpak

OorzaakMaatregel
Onvoldoende isolatie (lage U-waarde)Isolatiewaarde verhogen
Koudebrug bij aansluitingDetail thermisch onderbreken (lage ψ-waarde)
Hoge binnenlucht-RVVentilatie verbeteren, vochtbronnen beperken
Onvoldoende luchtcirculatie langs koude plekkenMeubels weghalen, roosters plaatsen

Verschil met inwendige condensatie

Oppervlaktecondensatie is zichtbaar aan de binnenkant; inwendige condensatie ontstaat ónzichtbaar midden in de constructieopbouw en is daardoor potentieel gevaarlijker.